Her­bert Bos is pro­ject­lei­der Omge­vings­vi­sie Zwol­le. Zijn opdracht is om nog dit jaar een amb­te­lijk con­cept Omge­vings­vi­sie aan de gemeen­te­raad aan te bieden.

De bestuur­lij­ke ambi­ties in Zwol­le zijn hoog. Behal­ve een ste­vi­ge groei­am­bi­tie, lig­gen er ook ambi­ties op het gebied van kli­maat en ener­gie. En deze ambi­ties zijn voor een stad in de del­ta van twee rivie­ren geen sine­cu­re. Maar hoe gaan we om met ambi­ties in een onze­ke­re toe­komst? Hoe stu­ren we stra­te­gisch en blij­ven we toch wend­baar (adap­tief)? Wel­ke invloed heb je als gemeen­te op eco­no­mi­sche- of kli­maat­ont­wik­ke­ling? Wat bete­kent dit voor de gemeen­te­lij­ke besluit­vor­ming, en hoe kun je die besluit­vor­ming fase­ren? Die vraag­stuk­ken komen alle­maal aan de orde bij de voor­be­rei­ding van de Omge­vings­vi­sie. Her­bert ging hier­over in gesprek met col­le­ga Erik Visser.

Ik vind het belang­rijk dat de omge­vings­vi­sie niet alleen bestuur­lijk aan­trek­ke­lijk is, maar ook rea­lis­tisch en uit­voer­baar. Bestuur­ders stu­ren op hoofd­lij­nen en zijn ambi­ti­eus: ‘ener­gie­neu­traal in 2030’, ‘gezon­de en vei­li­ge bin­nen­stad’, ‘mooi wonen’, ‘behoud van het groen’, ‘kli­maat­adap­tief’. Daar zal ieder­een het mee eens zijn. Maar voor de Omge­vings­vi­sie moe­ten we deze ambi­ties en hoofd­lij­nen ver­ta­len in rich­ting­ge­ven­de keu­zes. En die keu­zes kun­nen soms schuren.

Het is echt niet moge­lijk om een Omge­vings­vi­sie te ont­wik­ke­len waar­in we alle ambi­ties halen, zon­der soms pijn­lij­ke keu­zes te maken. Ik vind het mijn taak om deze keu­zes expli­ciet te maken voor raad en col­le­ge. Deze keu­zes zijn essen­ti­eel voor de ont­wik­ke­ling van een rea­lis­ti­sche en uit­voer­ba­re omgevingsvisie.

Werkt dat?

In Zwol­le rea­li­se­ren ze zich geluk­kig goed dat de Omge­vings­vi­sie rea­lis­tisch moet zijn en hand­vat­ten moet bie­den om het omge­vings­plan vast te stel­len. Daar­om zit de pro­ject­lei­der omge­vings­plan ook in mijn team. In het omge­vings­plan wor­den bestuur­lij­ke ambi­ties en keu­zes juri­disch ver­taald naar regels. Dan zijn bur­gers en bedrij­ven daar­aan gehou­den. Door die uit­voe­rings­prak­tijk al te betrek­ken bij de visie­vor­ming, borg je dat de visie con­cre­ter wordt.

Heb je daar een voor­beeld van?

In Zwol­le is dit aan de orde bij bij­voor­beeld kli­maat­adap­ta­tie. Door steeds hevi­ge­re regen­bui­en moet de gemeen­te naden­ken over de ber­ging van het regen­wa­ter in ste­de­lij­ke gebie­den, maar ook over de afvoer daar­van. Tege­lij­ker­tijd is er een groei van het aan­tal huis­hou­dens voor­zien en zal er nieuw­bouw wor­den ont­wik­keld, met name ook bin­nen de bestaan­de stad. Op zo’n loca­tie komen twee opga­ven bij elkaar; nieuw­bouw en water­ber­ging. In het omge­vings­plan wordt de water­ber­ging en de inpas­sing daar­van in de wijk dan ook een essen­ti­eel onder­deel van het pro­gram­ma voor deze locatie.

Wat is bij het maken van de keu­zes lastig?

De toe­komst is voor ons allen onge­wis, dus ook voor Zwol­le. We weten dat Zwol­le groeit en we weten dat Zwol­le in toe­ne­men­de mate een kli­maat­op­ga­ve heeft. Er zijn ver­schil­len­de rea­lis­ti­sche scenario’s te schet­sen, die alle­maal waar kun­nen wor­den, maar wel zeer onder­schei­dend zijn. Het aan­tal nieu­we huis­hou­dens, maar ook de hoe­veel­heid neer­slag in extre­me situ­a­ties, maken nog­al wat uit voor de inrich­ting van de fysie­ke leef­om­ge­ving. Wij hou­den daar reke­ning mee door bij elke keu­ze te kij­ken naar hoe zich dit ver­houdt tot de ver­schil­len­de scenario’s. Zor­gen dat we geen zaken oppak­ken waar we later spijt van krij­gen. Dus bij­voor­beeld geen nieuw­bouw in het laag­ste punt van de pol­der. We maken afwe­gin­gen die ruim­te bie­den voor meer­de­re scenario’s. We zit­ten mid­den­in dit pro­ces. Ik merk dat de poli­tiek dit ook span­nend vindt, maar de nood­zaak hier­van wordt geluk­kig wel gezien. Ik heb niet de indruk dat ze dit naar de uit­voe­ring wil­len door­schui­ven. Want dat is niet verstandig.

Waar­om is dat niet verstandig?

Als de omge­vings­vi­sie abstract blijft, dan is die vrij­blij­vend. Ieder­een kan zich erin vin­den. Nie­mand is tegen mooie ver­ha­len, maar dan leg je een hypo­theek op de uit­voe­rings­prak­tijk. Bedrij­ven weten niet of ze uit­brei­dings­mo­ge­lijk­he­den heb­ben en bewo­ners weten niet of dat wind­park wel of niet in hun ach­ter­tuin komt. En ver­vol­gens moe­ten die keu­zes als­nog gemaakt wor­den. Hier­door wordt de uit­voe­rings­prak­tijk veel com­plexer en ont­staat ver­tra­ging. Kun­nen we de doe­len dan nog wel op tijd realiseren?

Daar­om is het ver­stan­dig om die keu­zes al in de omge­vings­vi­sie te maken. Komt er een uit­leg­lo­ca­tie of niet? Waar zou­den wind­tur­bi­nes geplaatst kun­nen wor­den? Of kie­zen we voor een zon­ne­wei­de? Wel­ke warm­te-infra­struc­tuur leg­gen we aan en heb­ben we vol­doen­de ruim­te voor duur­za­me opwek? Het is belang­rijk om rich­ting­ge­ven­de keu­zes te maken en daar­bij aan te slui­ten bij kwa­li­tei­ten en ken­mer­ken van een gebied. Zo breng je meer rea­li­teit in de visie en voor­kom je onuit­voer­baar­heid. Wees niet bang om keu­zes te maken. Streef niet naar een una­nie­me goed­keu­ring door de raad door keu­zes te ver­bloe­men. Maak de omge­vings­vi­sie rea­lis­tisch en kies!

Dat vergt samen­wer­king tus­sen beleids­vel­den. Hoe is dat georganiseerd?

Zeker, die samen­wer­king is nood­za­ke­lijk. Geluk­kig is die afstem­ming er ook bin­nen de gemeen­te. Zo wordt er gewerkt aan de regi­o­na­le ener­gie­stra­te­gie, waar­in keu­zes wor­den gemaakt over de warm­te-infra­struc­tuur en de loca­ties voor duur­za­me opwek.

Als pro­ject­lei­der vind ik het belang­rijk om ver­bin­din­gen te leg­gen en de samen­wer­king tus­sen de ver­schil­len­de beleids­vel­den bin­nen de Omge­vings­vi­sie te stimuleren.

Per­soon­lijk waak ik ervoor dat er een hië­rar­chie ont­staat. Het is niet zo dat de omge­vings­vi­sie boven de ener­gie­vi­sie, woon­vi­sie of mobi­li­teits­vi­sie staat. We wer­ken samen paral­lel, we heb­ben elkaar nodig. Daar­mee voor­ko­men we dat we keu­zes maken die niet in de fysie­ke leef­om­ge­ving pas­sen of dat er knel­pun­ten ont­staan. We wer­ken dus echt inte­graal en maken geza­men­lijk keu­zes. Als pro­ject­lei­der vind ik het belang­rijk om ver­bin­din­gen te leg­gen en de samen­wer­king tus­sen de ver­schil­len­de beleids­vel­den bin­nen de Omge­vings­vi­sie te stimuleren.

Hoe nu verder?

In een inten­sief bestuur­lijk pro­ces wer­ken we met raad en col­le­ge lang­zaam maar zeker toe naar de te maken keu­zes. Eerst maken we inzich­te­lijk wat de inte­gra­le struc­tu­re­ren­de vraag­stuk­ken zijn op het gebied van wonen, wer­ken, kli­maat en ener­gie en mobi­li­teit, daar­na ont­wik­ke­len we moge­lij­ke keu­zes die we in ver­schil­len­de sta­dia van con­creet­heid voor­leg­gen. Paral­lel zijn we met sta­ke­hol­ders en bewo­ners in gesprek over de bete­ke­nis en waar­de van de stad als leef- en woon­om­ge­ving en de daar­uit voor­vloei­en­de rich­ting voor keuzes.

Ik denk dat het gaat luk­ken om eind van het jaar keu­zes te maken en deze voor te leg­gen aan de raad.

In het voorjaar/zomer 2019 ging Her­bert voor UNICEF aan de slag in Mozam­bi­que. Joost Ren­gers heeft het pro­ject in Zwol­le van Her­bert overgenomen.