Bur­ger­ini­ti­a­tief op het gebied van ener­gie kan lei­den tot de aan­leg van meer­de­re ener­gie-infra­struc­tu­ren bin­nen één wijk. Hoe voor­kom je dat het zo gewens­te bur­ger­draag­vlak leidt tot node­loos hoge kosten?

Voor de gebouw­de omge­ving benoemt het Kli­maat­ak­koord dat er stan­daar­den voor wonin­gen moe­ten komen, ter bevor­de­ring van de ver­eis­te kos­ten­re­duc­tie van de warm­te­tran­si­tie. Zo kan van ken­mer­ken­de typen wonin­gen wor­den bepaald wat, gelet op de kos­ten en baten, een ‘ver­stan­di­ge’ ver­duur­za­ming is. Naast deze gebouw­ken­mer­ken zijn er ook gebieds­ken­mer­ken die een rol spe­len, bij­voor­beeld of er warm­te­bron­nen aan­we­zig zijn zoals geo­ther­mie of een bedrijf dat rest­warm­te pro­du­ceert. Ook kan bodem­da­lings­pro­ble­ma­tiek een rol spe­len bij de vraag of een warm­te­net kos­ten­ef­fec­tief aan­ge­legd kan worden.

Geza­men­lijk bepa­len de gebieds- en gebouw­ken­mer­ken voor het over­gro­te deel de meest kos­ten­ef­fec­tie­ve oplos­sing. Op die ken­mer­ken heb­ben bewo­ners wei­nig invloed. Dat is niets nieuws, maar wel belang­rijk, omdat het Kli­maat­ak­koord bepaalt dat ‘het beper­ken van de kos­ten nood­za­ke­lijk is voor het draag­vlak van de tran­si­tie’. Naast het stu­ren op kos­ten­ef­fec­ti­vi­teit wordt ook gestuurd op par­ti­ci­pa­tie voor het beno­dig­de draag­vlak. ‘Mee­den­ken is voor veel men­sen een voor­waar­de voor mee­doen’, staat in het Kli­maat­ak­koord. Wat wordt daar­mee bedoeld? Gaat het om geïn­for­meerd wor­den en betrok­ken zijn bij besluitvorming?

Wat is de rol van de burger?

Of gaat het ook over (mee)beslissen en zeg­gen­schap? Een wereld van ver­schil. Met ande­re woor­den: wat is de rol van de bur­ger in de besluit­vor­ming over de warm­te­tran­si­tie? Als par­ti­ci­pa­tie gelijk­staat aan keu­ze­vrij­heid of zeg­gen­schap, dan staat dat op gespan­nen voet met het uit­gangs­punt van kos­ten­ef­fec­ti­vi­teit. Stel dat uit de ana­ly­se van gebieds- en gebouw­ken­mer­ken in een wijk volgt dat een warm­te­net het meest kos­ten­ef­fec­ti­vi­teit is, dan kun­nen indi­vi­du­e­le keu­zes lei­den tot ande­re alter­na­tie­ven voor warm­te. Dat kan ertoe lei­den dat niet alleen een warm­te­net moet wor­den aan­ge­legd, maar ook het elek­tri­ci­teits­net moet wor­den ver­zwaard voor een all elec­tric oplos­sing of aan­pas­sin­gen aan het aard­gas­net voor het geschikt maken voor water­stof of bio­gas. Hier­door nemen de maat­schap­pe­lij­ke kos­ten enorm toe. Keu­ze­vrij­heid kan dus ook het draag­vlak en de uit­voer­baar­heid in gevaar brengen.

Par­ti­ci­pa­tie

Dat brengt de vraag met zich mee aan wel­ke voor­waar­den een par­ti­ci­pa­tie­ve aan­pak moet vol­doen om suc­ces­vol draag­vlak te cre­ë­ren? Par­ti­ci­pa­tie is een mid­del om draag­vlak te berei­ken en nooit een doel op zich. Daar­om is het belang­rijk dat over­he­den dui­de­lijk aan­ge­ven wel­ke con­cre­te maat­schap­pe­lij­ke resul­ta­ten zij wil­len boe­ken, hoe bur­gers bij de besluit­vor­ming wor­den betrok­ken en hoe op een trans­pa­ran­te en begrij­pe­lij­ke wij­ze ver­ant­woor­ding wordt afge­legd over die besluit­vor­ming. Inhou­de­lijk bete­kent dit dat loka­le over­he­den eer­lijk moe­ten zijn over de mate van zeg­gen­schap van bur­gers over het alter­na­tief van aard­gas in het participatieproces.

Stu­ren op kos­ten­ef­fec­ti­vi­teit brengt met zich mee dat die zeg­gen­schap beperkt moet zijn. De rijks­over­heid kan gemeen­ten bij de wijkaan­pak hel­pen door die kaders mee te geven en gemeen­ten zowel een afsluit­recht te geven als een aan­sluit­plicht voor gebou­wen op te nemen. Een goed inge­richt par­ti­ci­pa­tie­pro­ces met dui­de­lij­ke rand­voor­waar­den draagt zo bij aan kwa­li­ta­tief bete­re besluit­vor­ming voor een haal­ba­re en betaal­ba­re warm­te­tran­si­tie en kan het draag­vlak voor de wijk­ge­rich­te aan­pak juist vergroten.

Dit arti­kel is ook gepu­bli­ceerd op Bin­nen­lands Bestuur.